Opgave 14: WOORD & BEELD

(opgesteld door Valerie Rousseau)

Dichters laten zich bij het schrijven geregeld inspireren door de beeldende kunsten. Hieronder vind je 4 gedichten van Nederlandstalige auteurs. Zoek voor elk gedicht het kunstwerk waarnaar het verwijst.  

Gedicht Kunstwerk (vul hieronder de juiste letter in)
1
2
3
4

1. Lies van Gasse (°1983)

In dit gedicht zit erg veel haast.
Het cirkelt als een schrale vogel
rond een meisjeshart, het

springt als een vis op het droge,
kantig als een vals skelet.

De jurk is een staketsel,
een maan waait uit het zand
in wit licht bot een knop.

Wij zijn hoekig als wollen ganzen
die draaien rond een gestalte.
In de verte tuurt een vrouw.

2. Judith Herzberg (°1934)


Het ergste is als alles blijft zoals het is.
Ik wil en kan niet ingrijpen ik wil
naar huis, de koeien melken, eten
en vergeten wat ik zag. Het ergste is
dat dit tumult, als op een schilderij –
dat deze val, van wat?
van nacht nu bijna al
mij in één houding vat
mijn ploeg loopt vast
het blijft mij bij
ik schud het nooit meer af.
Het ergste is als zelfs vergaan
al stilgeschilderd is.

3. Anneke Brassinga (°1948)

… het broderietje kruip ik over, ’t kuise
blozende vergood ik, schroomvol ruisende
de rode gewaden als bijna-dode wingerdbladen
om haar heen, een ruif is zij mijn haverkist,
mijn stoof en suikering, de kozende struise,
een struikje broos, ik heb mijn hand op dit
broodje gelegd – de ruiker van haar konen
rozen, zij is het blote fruit aan mij geopend,
ruigte van het toegedane, schoon ontluiken
in hoofs genegenzijn, o vroom beschuitje,
boterschaapje, vlam van dromerig verpozen en
de roze handen, roomsoezige blankte schuilend
onder inkarnate korenschoof van ’t grootse
bruidje, en ik gouden man heb lief dit alleen
aan de dood te verliezene, glorende duifje.

4. Hugo Claus (1929-2008)

Het mombakkes, vaderlands goed,
staat ons goed.
Op Vastenavond zijn wij gevlekte honden.
Wij verven ons kind een monstersnoet;
zoals wij zal het leren zijn zonden te vermommen.
En wijzelf en ons lief zitten vastgebonden
in de snuit die blaft,
de slurf die ratelt,
de oren die slingeren,
het rubberen bekkeneel,
de blik van reuzel,
hikkende mossellippen,
in de neusgaten schapenhaar.

O zo ver, zo diep dringen wij in onze kartonnen huid
en loeren en piepen er vanonder uit.
Want zo ingekapseld kunnen wij nooit verwelken,
zo gebakerd vervriest alleen onze huls,
wij zullen blijven leven. Als garnalen, eeuwige garnalen.

Vluchtend in dans en gil
betogen wij dat wij leven
zoals het andermans masker betaamt,
(niet ons Vlaamsch gezicht van kwetterende dwergen). 

Gedicht Kunstwerk (vul hieronder de juiste letter in)
1 C
2 B
3 A
4 G

Meer info of inspiratie nodig? Kijk dan even op https://beeldgedicht.info

Close Menu